Eigendom paard vergt onderzoek

Recent is weer eens duidelijk geworden dat de eigendom van een paard niet gemakkelijk kan worden geclaimd. Daartoe is meer nodig dan het feit dat iemand als eigenaar is vermeld in een schriftelijke overeenkomst en prijzengeld heeft ontvangen. De eiser moet met steekhoudend bewijs komen, dat ook nog eens moet worden onderzocht. En dat alles is niet te doen in een spoedprocedure zoals het kort geding.

Een Engelse ruiter had samen met een Duitse zakenman een stal geƫxploiteerd. De ruiter droeg zorg voor de training en het management van de paarden. In 2008 had de Duitse zakenman een internationaal sportpaard gekocht en gestald in de gezamenlijke stal. In 2010 werd het paard in bruikleen gegeven aan een Nederlandse topruiter, die het paard op het hoogste niveau uitbracht op internationale (FEI) wedstrijden.

In 2013 sloot de Engelse ruiter voor zichzelf en als gevolmachtigde van de Duitse zakenman, een overeenkomst met de KNHS met als doel het beschikbaar stellen van het paard voor de  Olympische Spelen. In de overeenkomst werden de Engelse ruiter en de Duitse zakenman als eigenaren van het paard vermeld. Die overeenkomst eindigde in 2014. In augustus 2015 eindigde de Engelse ruiter de bruikleenovereenkomst (met de topruiter) en vorderde het paard en het prijzengeld. De eigendom van het paard stond bij de FEI echter geregistreerd op naam van de Duitse zakenman. De topruiter zag dan ook geen aanleiding het paard aan de Engelse ruiter over te dragen of prijzengeld af te dragen.

De Engelse ruiter stapte naar de rechter, hij meende dat de topruiter inbreuk maakte op zijn eigendomsrecht. Maar het enige bewijs dat hij kon overleggen, was de overeenkomst waarin hij mede was vermeld als eigenaar en waarvan de Duitse zakenman inmiddels had verklaard dat zijn machtiging niet was bedoeld om de Engelse ruiter als mede eigenaar van het paard te vermelden. De rechter overwoog daarnaast dat het paard ook niet in bezit was van de Engelse ruiter, zodat het wettelijk vermoeden dat hij de eigenaar zou zijn, hier niet geldt. Bezit veronderstelt namelijk eigendom. Er diende dus nader onderzoek plaats te vinden naar het bewijs en daartoe leent een kort geding zich niet.

(Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 29 oktober 2015, ECLI:NL:RBZWB:2015:7037)